Brief II

Geplaatst op

De leden van de Pickwickclub

22 oktober 2017

In de zomer van 1978 maakten Elly en ik  met Mark en Wam een reis met de auto door Engeland van Felixtowe tot Cornwall. Onderweg kwamen wij langs het kleine stadje Bury St. Edmunds en ontdekten wij de herberg De Engel, waar de heer Samuel Pickwick met de leden van de Pickwickclub had gedineerd en vergaderd. Deze belangrijke gebeurtenis was in steen gebeiteld en daarna in de voorgevel van het uit 1779 daterende gebouw gemetseld. Ik besloot onze reis te onderbreken om met mijn gezin op deze eerbiedwaardige plaats de lunch te gebruiken. Eenmaal gezeten in de ruime ontvangstzaal vroeg ik het meisje, dat ons met een leuk ouderwets schortje bediende of de onsterfelijke Samuel Pickwick werkelijk op deze plaats had vertoefd waarop ze een oud dametje haalde dat mij bezwoer dat de grote man werkelijk enkele uren binnen deze muren had verkeerd. Ze vroeg me mee te komen en zo betrad ik een smal zaaltje aan de achterzijde van het gebouw. In deze enge ruimte hadden de leden van de Pickwickclub vergaderd en had de oprichter en voorzitter van dit illustere gezelschap een van zijn befaamde redevoeringen uitgesproken. Ik kan het niet nalaten Charles Dickens te citeren, die het optreden van Pickwick zo treffend beschrijft: “Een vluchtig beschouwer zou wellicht niets buitengewoons gezien hebben in de kale schedel en de ronde brillenglazen die gespannen gericht waren op de secretaris tijdens het voorlezen van de besluiten. Maar voor hen die wisten dat het reusachtig brein van Pickwick achter het voorhoofd werkte, dat de sprankelende ogen van Pickwick achter die brillenglazen glinsterden, was de aanblik ongemeen belangwekkend”.
Het vrouwtje schilderde het verloop van de vergadering van de Pickwickclub, wees de stoelen aan waarop de grote mannen gezeten hadden en schetste in het kort hun voortreffelijkheden. Behalve Samuel Pickwick, namen om nooit te vergeten: Tupman de gezette liefhebber van het vrouwelijk geslacht, Winkle, de jeugdige sportliefhebber en Snodgrass de kwijnende dichter. Mark en Wam, die niets van dit alles begrepen, keken vol ontzag naar de lompe stoelen waarop ooit zoveel vernuft had plaatsgenomen, maar het vrouwtje raakte nu pas echt op dreef. Ze vertelde wat de heren tijdens hun samenzijn hadden genuttigd en ik voegde daaraan toe het te betreuren dat Pickwicks bediende Sam Weller op die dag niet aanwezig had kunen zijn.Toen de oude dame dit hoorde, klapte zij verrukt in de handen en bood me een folder van de Charles Dickensvereniging aan, die over drie weken in de herberg De Engel zou vergaderen. Er was een acteur uitgenodigd die sinds jaar en dag met veel succes in Engelssprekende gebieden optrad als Mister Micawber uit Dickens roman“David Copperfield”. Ik betuigde mijn spijt dat ik niet bij dit unieke optreden aanwezig kon zijn en terwijl wij verder keuvelden over het werk van Dickens liet ze het dienstertje enkele Engelse lekkernijen serveren, die wij tegen heug en meug naar binnen werkten, want de Engelse keuken staat op een minder hoog niveau dan de literatuur. “Het komt maar zelden voor dat wij hier een echte kenner mogen begroeten”, zei het vrouwtje “en u bent ook nog een buitenlander”. Toen ik wilde betalen, weigerde ze zelfs maar een penny van mij aan te nemen. Na een vriendelijk afscheid liepen wij naar buiten.
Wam kwam naast me staan en zei: “Pappa, je hebt toch met die vrouw over iets gepraat dat nooit gebeurd is”.
Ik keek hem verbaasd aan: “Nooit gebeurd, nooit gebeurd…, iets wat in de hoofden van mensen leeft, bestaat toch!”
“Ach, dat is typisch je vader, maar we hebben in ieder geval voor niets gegeten, dus waarom zouden we willen volhouden dat het nooit gebeurd is”, zei m’n vrouw. Toen we uit Bury St. Edmunds weg reden, werden we door de bediening van de herberg De Engel uitgezwaaid.

Het was een geweldige reis, waarbij we op de grote prehistorische stenen van Stonehenge klommen en het legendarische kasteel Tintagel bezochten. Ik vertelde Mark en Wam verhalen over koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel en ik bezocht met de jongens de grot onder het kasteel Tintagel waar de zee met veel geweld binnenstroomde en een gids ons meedeelde dat koning Arthur hier als baby door Merlijn de tovenaar zou zijn verstopt om hem te verbergen voor de moordenaars van zijn vader koning Uter Pendragon. Hoewel het kasteel van Tintagel lang na koning Arthur is gebouwd en nog weer later is verwoest en de verhalen over de Ronde Tafel misschien ook nooit gebeurd zijn, waren er behalve mijn zoons heel wat mensen die er graag in wilden geloven…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *