Brief III

Geplaatst op

Paarden in de uiterwaarden

Fragment uit een brief van 12 december 2007 aan André van Kruijssen:

Dit doet mij denken aan een ontmoeting die ik vorige week in de Arnhemse bibliotheek had. Deze bieb bevindt zich in het centrum van de stad en ik ga er dikwijls tijdschriften lezen wanneer ik gewandeld heb. Goed, ik loop de bieb binnen, wil een exemplaar van de gratis krant “De Pers” pakken, wanneer een blonde vrouw van een jaar of dertig mij staande houdt en zegt “Ach, meneer, u kent mij natuurlijk niet meer”. Ik glimlach, het is een aardige jonge meid: “Nee, maar vertelt u mij eens waar u mij van kent”. Dan vertelt ze dat ze zo’n jaar of zestien geleden eens met een vriendin te paard in de uiterwaarden reed en mij ontmoette terwijl ik met een leuk, blond jongetje wandelde. Ik weet het weer, Erwin was een jaar of vier en zag er beeldschoon uit: een roomkleurige huid, stralende bruine ogen en goudblonde lokken en ik maakte een kort praatje met de meisjes waarbij ik mijn zoontje voorop een van de grote, zwarte paarden zette. “U vertelde toen een gedichtje in het Duits”, zegt ze “ik ken de tekst niet meer, maar het was mooi”.

Gestern noch auf stolzen Rossen

Heute in den Brust geschossen

Morgen in das kühle Grab”,

citeer ik weemoedig. “Ja en toen vertelde u ook nog dat de Indianen in Amerika, ik weet niet meer hoe ze heetten, dachten dat paarden en ruiters aan elkaar vastzaten en een soort goddelijke wezens waren toen ze voor het eerst paardrijdende Spanjaarden ontmoetten”. “Dat waren de Azteken en de Spanjaarden van Cortes”, zeg ik. “Wist u, dat mijn vriendin en ik, we zijn getrouwd en hebben kinderen, het daar laatst nog over gehad hebben. Over die ontmoeting met die grijze meneer en dat leuke jongetje in de Uiterwaarden”.

Het Duitse gedicht is van Wilhelm Hauff (1802-1827) een jong gestorven sprookjesschrijver en dichter.

Eén antwoord op “Brief III”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *